Belangrijk arrest EU Hof van Justitie voor Duitse dividendbelasting

5 januari 2018

Op 20 december 2017 heeft het Europese Hof van Justitie een belangrijk arrest gewezen voor grensoverschrijdende dividenduitkeringen door Duitse bedrijven aan moedermaatschappijen in andere Europese landen. De beruchte antimisbruikbepaling § 50d Abs. 3 EStG is voor de praktijk al jarenlang een doorn in het oog. Op grond van deze antimisbruikbepaling wordt door de Duitse fiscus vaak geen volledige vrijstelling of teruggaaf van Kapitalertragsteuer (Duitse dividendbelasting) verleend bij dividenduitkeringen in moeder-dochter situaties.

Duitse dividendbelasting: de Europese Moeder-dochter Richtlijn

Op Europees niveau zijn afspraken gemaakt ten aanzien van grensoverschrijdende dividenduitkeringen. Op een dividenduitkering van een dochtermaatschappij aan haar moedermaatschappij mag geen bronbelasting drukken, mits er wordt voldaan aan een aantal voorwaarden. Deze afspraken zijn uitgewerkt in de Europese Moeder-dochter Richtlijn. De moedermaatschappij moet bijvoorbeeld minimaal een 10%-deelneming hebben in de dochtermaatschappij. Europese lidstaten mogen daarop uitzonderingsregels maken in het kader van de bestrijding van fraude en misbruik.

Duitse dividendbelasting: het arrest van het Europese Hof van Justitie

Het Europese Hof van Justitie heeft op 20 december 2017 een arrest gewezen  (HvJ EU, 20-12-2017, nr. C-504/16, nr. C-613/16) ten aanzien van deze Duitse antimisbruikbepaling. In de zaken van Deister Holding AG (voorheen Traxx Investments N.V.) en Juhler Holding A/S weigerde het Finanzamt in beide gevallen de dividenduitkeringen aan een buitenlandse moeder vrij te stellen op basis van de toen geldende tekst van de antimisbruikbepaling § 50d Abs. 3 EStG.

Duitse dividendbelasting: de casus Deister Holding AG

In de casus van Deister Holding AG (C-504/16) heeft de Nederlandse holding Traxx Investments N.V. een 26,5%-deelneming in een Duitse dochtermaatschappij (Deister electronik GmbH). De achterliggende aandeelhouder woonde in Duitsland. De Duitse fiscus weigerde een teruggaaf van Kapitalertragsteuer (Duitse dividendbelasting) te verlenen met een beroep op de Duitse antimisbruikbepaling. Volgens Duitsland bestonden de economische activiteiten van Traxx Investments N.V. uitsluitend uit het houden van deelnemingen en waren er verder geen economische of andere relevante redenen die het tussenschuiven van Traxx Invesmtents B.V. tussen de Duitse deelneming en de uiteindelijke aandeelhouder in Duitsland rechtvaardigden.

Duitse dividendbelasting: de casus Juhler Holding A/S

Juhler Holding A/S is een Deense holding die aandelen houdt in de Duitse onderneming temp-team Personal GmbH. De activiteiten van Juhler Holding A/S bestaan uit het houden van deelnemingen, het beheren van de financiële situatie van de groep en het beheren van onroerende activa. Zij heeft daarnaast geen eigen kantoor of personeel (met uitzondering van haar directeur). Ook op de dividenduitkering aan Juhler Holding A/S werd een teruggaaf van Kapitalertragsteuer (Duitse dividendbelasting) geweigerd op grond van § 50d Abs. 3 Einkommensteuergesetz wegens een gebrek aan voldoende economische activiteiten en substance in de holding.

Duitse dividendbelasting: § 50d Abs. 3 EStG in strijd met EU-recht volgens het Europese Hof van Justitie

Volgens het Europese Hof van Justitie belemmert de Duitse antimisbruikbepaling de Europese vestigingsvrijheid en is zij onverenigbaar met de doelstelling van de Europese Moeder-dochter Richtlijn, namelijk het voorkomen van dubbele belasting over de winst. Een moedermaatschappij die in een ander Europees land is gevestigd en een deelneming houdt in een Duitse dochtermaatschappij wordt geconfronteerd met de strenge Duitse antimisbruikbepaling. Daardoor kan al snel een vrijstelling of teruggaaf van Duitse bronbelasting worden geweigerd, doordat een misbruiksituatie of kunstmatige constructie wordt gesteld. Een niet-ingezeten moedermaatschappij wordt daarmee benadeeld ten opzichte van een Duitse moedermaatschappij die in een vergelijkbare situatie verkeert. De Duitse moeder krijgt namelijk niet te maken met deze regeling, wanneer een Duitse deelneming dividend aan haar uitkeert. Volgens het Hof is § 50d Abs. 3 EStG te algemeen van aard en gaat deze verder dan noodzakelijk is om belastingontwijking en misbruik te bestrijden. Hierdoor is de Duitse regeling in strijd met het Europese recht.

Duitse dividendbelasting: gevolgen voor de praktijk Nederland-Duitsland

§ 50d, Abs. 3 EStG heeft inmiddels enkele wijzigingen ondergaan en bepaalt dat een holdingstructuur bedoeld is om belasting te ontgaan, in een van de volgende situaties:

  • de aandeelhouder van de holding die de dividenduitkering ontvangt heeft zelf geen recht op een vrijstelling of teruggaaf, indien hij direct de dividenden zou ontvangen van de Duitse dochtermaatschappij;
  • de holding drijft zelf geen materiële onderneming, maar verricht slechts houdsteractiviteiten en/of is alleen voor fiscale doeleinden opgezet (om bijvoorbeeld onbelast dividend te kunnen ontvangen).

Het nieuwe Belastingverdrag Nederland-Duitsland bepaalt dat een reguliere Nederlandse holdingstructuur door Duitsland niet meer als misbruiksituatie of kunstmatige constructie mag worden aangemerkt, behoudens tegenbewijs van de Duitse fiscus. Duitsland mag op grond van het Belastingverdrag Nederland-Duitsland maximaal 5% bronbelasting inhouden op een dividenduitkering door de Duitse werkmaatschappij aan de Nederlandse holding.

Tot nu toe werd een verlaging naar 0% geweigerd, omdat de bovengenoemde bepaling uit het Belastingverdrag Nederland-Duitsland niet van toepassing zou zijn op het 0%-tarief uit de Europese Moeder-dochter Richtlijn. Echter, met een beroep op het arrest HvJ EU, 20-12-2017, nr. C-504/16, nr. C-613/16, zou Duitsland een volledige vrijstelling of teruggaaf van Kapitalertragsteuer (Duitse dividendbelasting) moeten verlenen in situaties die onder de Europese Moeder-dochter Richtlijn vallen. Momenteel buigt het Europese Hof van Justitie zich ook over de huidige regeling van § 50d Abs. 3 Einkommensteuergesetz, die in 2012 voor het laatst is gewijzigd en minder streng is dan de regeling vóór 2012. Onze verwachting is dat het Europese Hof tot eenzelfde conclusie komt, maar een definitief oordeel laat vooralsnog op zich wachten.

Heeft u vragen? Wij kunnen u behulpzaam zijn, indien u uw ondernemingsactiviteiten wilt uitbreiden naar Duitsland of als u als intermediair uw klanten hierbij ondersteunt. Indien u ons contactformulier invult, nemen wij zo spoedig mogelijk contact met u op.