Inlenen personeel. Aansprakelijkheid bij gebruik van buitenlandse uitzendbureaus

11 juli 2008

Een buitenlandse werkgever moet Nederlandse loonbelasting inhouden en afdragen indien hij personen in Nederland werkzaamheden laat verrichten en hij beschikt over een (fictieve) vaste inrichting of een vaste vertegenwoordiger in Nederland. Een buitenlandse tussenpersoon, die bemiddelt voor zijn werknemers die in Nederland werken, wordt in ieder geval geacht een fictieve vaste inrichting te hebben in Nederland. Onder een buitenlandse tussenpersoon wordt bijvoorbeeld een uitzendbureau verstaan.

De fictieve vaste inrichting is in 1997 voornamelijk in het leven geroepen om malafide buitenlandse koppelbazen te weren van de Nederlandse arbeidsmarkt. De buitenlandse koppelbazen leenden namelijk hun werknemers uit aan in Nederland gevestigde werkgevers en waren door de afwezigheid van een vaste inrichting of vertegenwoordiger in Nederland niet gehouden loonbelasting in te houden en af te dragen. Door de introductie van de fictieve vaste inrichting lopen in Nederland gevestigde inleners van arbeidskrachten nu ook vaker risico om aansprakelijk te worden gesteld voor onbetaald gebleven loonbelastingschulden van buitenlandse uitzendbureaus.

In een procedure die momenteel voor de Hoge Raad speelt, concludeert Advocaat-Generaal Van Ballegooijen dat de invoering van de fictieve vaste inrichting niet uitsluitend is bedoeld voor malafide uitzendbureaus. Volgens hem ziet de fictieve vaste inrichting ook op bedrijven die zich met andere werkzaamheden bezighouden dan met het uitzenden van personeel. Verder concludeert hij dat bij het ter beschikking stellen van personeel binnen concernverband sprake is van een derde, zodat ook in die gevallen sprake is van een fictieve vaste inrichting waardoor inhoudingsplicht ontstaat voor de Nederlandse loonbelasting.

Als de Hoge Raad de conclusies van Van Ballegooijen volgt, betekent dit dat buitenlandse werkgevers vaker inhoudingsplichtig zijn voor de Nederlandse loonbelasting.